Appellante en haar echtgenoot wonen in België; de echtgenoot ontvangt een AOW-pensioen en is als verdragsgerechtigde aangemerkt op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Verordening (EG) nr. 883/2004. Vanaf 4 juli 2017 ontvangt appellante zelf een AOW-pensioen en is zij door het CAK als zelfstandig verdragsgerechtigde aangemerkt, met een verdragsbijdrage verschuldigd over 2017 en 2018.
Appellante betwist deze status en stelt dat zij volgens Belgische wetgeving nog steeds als gezinslid ten laste wordt aangemerkt en daarom geen verdragsbijdrage verschuldigd is. Zij maakte bezwaar tegen besluiten van het CAK, waarvan één bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. De rechtbank vernietigde dit besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.
De Raad oordeelt dat de brief van 11 september 2017 geen besluit is in de zin van de Awb maar een herhaling van het eerdere besluit. De overschrijding van de beroepstermijn door late postbezorging uit België wordt vanwege de coronapandemie als verschoonbaar beschouwd. Inhoudelijk bevestigt de Raad dat appellante als zelfstandig verdragsgerechtigde moet worden aangemerkt en een verdragsbijdrage verschuldigd is, ook al blijft zij volgens Belgische wetgeving een persoon ten laste. Het afgeleid recht als gezinslid wijkt voor het zelfstandig recht op verstrekkingen vanaf het moment dat zij zelf een pensioen ontvangt.
De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard en het beroep wordt inhoudelijk ongegrond verklaard.