ECLI:NL:CRVB:2023:848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkeringsgeschil
Appellante, voormalig juriste, viel uit wegens psychische klachten en ontving een WGA-uitkering van het UWV. Na herbeoordeling stelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid lager vast en beëindigde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Later trok het UWV het bestreden besluit in en stelde een hogere arbeidsongeschiktheid vast.
Appellante stemde in met het gewijzigde besluit maar vorderde schadevergoeding wegens de gevolgen van het eerdere besluit, waaronder verslechterde arbeidsrelaties en gezondheidsklachten, alsmede vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat het gewijzigde besluit het bestreden besluit verving, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens ontbreken van procesbelang.
Verder werd geoordeeld dat appellante onvoldoende concrete en onderbouwde schade had aangetoond die verband hield met het onrechtmatige besluit. Het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de totale procedureduur binnen de wettelijke grenzen bleef.
Ten slotte veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante, bestaande uit reiskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.