Appellante meldde zich in september 2016 ziek met lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij belastbaar was met beperkingen zoals vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van augustus 2018. De arbeidsdeskundige berekende haar arbeidsongeschiktheid op circa 21%, wat onder de 35% grens ligt voor toekenning van een WIA-uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beoordeling, met name over de inschatting van haar hand- en vingergebruik en het ontbreken van een urenbeperking wegens pijn- en psychische klachten. Zij overhandigde medische rapporten ter onderbouwing. Het UWV handhaafde het besluit en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat er geen aanleiding was de medische beoordeling te betwijfelen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar tastzin verminderd is en dat het werken met toetsenbord en muis haar beperkingen oplevert, evenals dat een urenbeperking noodzakelijk is. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit voldoende had gemotiveerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Er was geen neurologische verklaring voor de verminderde tastzin en geen reden voor een urenbeperking.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% had vastgesteld en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.