ECLI:NL:CRVB:2023:762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als secretaresse, meldde zich ziek op 14 december 2017 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als zorgvuldig werd beoordeeld en geen aanleiding werd gezien tot benoeming van een onafhankelijke deskundige.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer vanwege kritiek op het rapport van de door het UWV ingeschakelde psychiater en tegenstrijdigheden met de behandelende sector. Zij verzocht om benoeming van een onafhankelijke psychiater. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep adequaat had gereageerd op de nieuwe informatie, dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het rapport van Psyon, inclusief de symptoomvalidatietest, niet onzorgvuldig was.
De Raad concludeerde dat het UWV de beperkingen van appellante niet had onderschat en dat het medisch oordeel voldoende was gemotiveerd. Omdat geen twijfel aan het medisch oordeel bestond, was benoeming van een onafhankelijke deskundige niet nodig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WIA-uitkering bevestigd.