Betrokkene ontving bijstand sinds 2015 en werd na een anonieme melding onderzocht op rechtmatigheid van deze bijstand. Het college trok de bijstand in voor meerdere maanden vanwege het verrichten van oppaswerkzaamheden zonder melding en het niet aantonen van financiering van vakanties en een dakopbouw.
De rechtbank oordeelde dat het college het inkomen onjuist had berekend door geen rekening te houden met niet-betaalde inkomstenbelasting en vernietigde het besluit deels. Het college maakte geen herstel mogelijk en stelde dat betrokkene over het geschatte inkomen kon beschikken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat betrokkene geen inkomstenbelasting hoefde te betalen zolang geen aanslag was opgelegd, waardoor het college het inkomen correct had berekend. Betrokkene schond de inlichtingenplicht door vakanties niet te melden, maar de besparingen tijdens vakanties waren niet substantieel genoeg voor afstemming van bijstand. Het hoger beroep van het college en betrokkene slaagden deels, waardoor het besluit tot intrekking over vier maanden werd vernietigd en het college werd veroordeeld in proceskosten.