ECLI:NL:CRVB:2023:645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing tegemoetkoming TOFA wegens WW-uitkering
Appellant vroeg een tegemoetkoming aan op grond van de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA), maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden, waaronder het ontvangen van een WW-uitkering vanaf 27 april 2020. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig betalen van griffierecht.
In hoger beroep stelde appellant dat het griffierecht wel tijdig was betaald binnen de termijn die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) was gesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet in verzuim was en vernietigde de niet-ontvankelijkheidsverklaring van de rechtbank. Vervolgens beoordeelde de Raad inhoudelijk het beroep.
De Raad bevestigde dat appellant geen recht had op de TOFA-tegemoetkoming omdat hij vanaf 27 april 2020 een WW-uitkering ontving, wat een uitsluitingsgrond is volgens artikel 4 van Pro de TOFA. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het Uwv werd verplicht het betaalde griffierecht van appellant te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de TOFA-tegemoetkoming wordt ongegrond verklaard; het griffierecht wordt aan appellant vergoed.