ECLI:NL:CRVB:2023:538

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
23 maart 2023
Zaaknummer
21/2513 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19a PWArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij verblijf bloedverwant met zorgbehoefte

Appellante ontvangt een AIO-aanvulling op grond van de Participatiewet en woont op een adres waar sinds mei 2020 ook haar dochter verblijft. De Sociale Verzekeringsbank heeft de AIO-aanvulling herzien vanwege de aanwezigheid van de dochter als kosten delende medebewoner, ondanks dat deze geen inkomsten heeft en onder bewind staat.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overweegt dat het feitelijk delen van kosten niet relevant is voor toepassing van de kostendelersnorm. De wetgever heeft bewust gekozen de norm ook toe te passen op bloedverwanten met een zorgbehoefte.

De door appellante aangevoerde omstandigheden, zoals het onder bewind staan van de dochter en het ontbreken van inkomsten, bieden geen grondslag voor afwijking van de norm. De opvang en zorg die appellante verleent, leiden niet tot een andere beoordeling. De kostendelersnorm blijft ongewijzigd van toepassing en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

21 2513 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2021, 20/6300 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 21 maart 2023

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard dat zij gebruik wil maken van dat recht. Daarom heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. In deze zaak beoordeelt de Raad een herziening van bijstand naar de kostendelersnorm.
1.1.
Appellante ontvangt per 1 november 2019 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. In aanvulling daarop ontvangt zij vanaf december 2019 op grond van de Participatiewet (PW) een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante woont op adres X.
1.2.
Sinds 27 mei 2020 is ook de dochter van appellante (A) op adres X woonachtig.
1.3.
Bij besluit van 17 juni 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 september 2020 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van juni 2020 herzien, omdat A vanaf 27 mei 2020 op adres X staat ingeschreven en als kosten delende medebewoner wordt aangemerkt. Het feit dat A geen inkomsten heeft, maakt dat volgens de Svb niet anders.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 juni 2020 tot en met 17 juni 2020.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat A voldoet aan de omschrijving van een kosten delende medebewoner als bedoeld in de aanhef van artikel 19a, eerste lid, van de PW en dat zij niet valt onder de daarna in het eerste lid onder a tot en met d beschreven situaties. [1]
4.3.
De gronden van het hoger beroep komen erop neer dat appellante de kosten niet met A kan delen en dat daarom van de kostendelersnorm moet worden afgeweken. A kwam net terug uit het buitenland en had onderdak nodig. A staat onder bewind en kan niet door middel van arbeid inkomen verwerven. Ook is het voor haar niet goed mogelijk een bijstandsuitkering aan te vragen.
4.4.
De gronden slagen niet. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat bij toepassing van de kostendelersnorm niet relevant is of de medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. Dit is vaste rechtspraak. [2] De door appellante genoemde omstandigheden geven geen aanleiding om van de kostendelersnorm af te wijken. De PW biedt geen grondslag voor afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onbillijke situatie. Ook dit is vaste rechtspraak. [3] Bovendien heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte. [4] De opvang en zorg die appellante aan haar dochter verleent, kan er daarom op zichzelf niet toe leiden dat de Svb van de kostendelersnorm afwijkt.
4.5.
De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, omdat de gronden van het hoger beroep niet slagen.
5. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Slotsom
6. De kostendelersnorm blijft ongewijzigd van toepassing.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2023.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) N. van der Horn

Voetnoten

1.Artikel 19a, eerste lid, van de PW luidt: In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet:
2.CRvB van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3869.
3.CRvB van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3869.
4.Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16.