ECLI:NL:CRVB:2023:537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlenging aflosfase studieschuld bij niet-meetellen partnerinkomen
Appellant ontving studiefinanciering in de vorm van een lening over de jaren 1994 tot en met 1997, met een aflosfase die startte op 1 januari 2000. Vanaf 2010 heeft appellant verzocht het inkomen van zijn partner niet mee te laten tellen bij de draagkrachtberekening. De minister heeft daarop de betalingsverplichting vastgesteld zonder partnerinkomen mee te rekenen, wat leidde tot een verlenging van de aflosfase.
De rechtbank had het beroep van appellant tegen het besluit van de minister ongegrond verklaard, stellende dat de aflosfase wordt opgeschort zolang het partnerinkomen niet wordt meegeteld en pas weer gaat lopen bij hervatting van de aflossing. Appellant stelde in hoger beroep dat de aflosfase na 20 jaar zou zijn geëindigd en dat hij mocht vertrouwen op voorlichtingsmateriaal dat zijn schuld zou worden kwijtgescholden.
De Raad oordeelde dat de wettelijke regeling bepaalt dat voor ieder jaar dat het partnerinkomen niet wordt meegeteld, de aflosfase met een jaar wordt verlengd zonder maximum. De uitleg van appellant is onjuist en hij blijft verplicht aflossingen te verrichten na 31 december 2019. Daarnaast slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet omdat de verstrekte informatie algemeen was en niet als toezegging kon worden opgevat.
De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant ook na 31 december 2019 verplicht is zijn studieschuld af te lossen omdat de aflosfase telkens wordt verlengd zolang het partnerinkomen niet wordt meegeteld.