ECLI:NL:CRVB:2023:470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Ziektewet-uitkering wegens ongewijzigde medische beperkingen en geschiktheid voor geselecteerde functies
Appellant was werkzaam als bezorger van witgoed en meldde zich in juni 2018 ziek na een botsing. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze in augustus 2019 na een eerstejaars beoordeling (EZWb), omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen met andere functies. Appellant meldde zich opnieuw ziek in september 2019 en kreeg opnieuw een ZW-uitkering, die het UWV in juli 2020 introk op grond van ongewijzigde medische beperkingen en geschiktheid voor de eerder geselecteerde functies.
Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij medische rapporten bevestigden dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van mei 2019 nog steeds van toepassing was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor meer beperkingen, ook niet op psychische gronden zoals PTSS.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, waaronder het belang van het verzekeringsgeneeskundig protocol WAD I/II en de actualiteit van de geselecteerde functies. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, wees het verzoek om een deskundige af en bevestigde dat de medische beperkingen ongewijzigd zijn en dat appellant geschikt blijft voor de geselecteerde functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op ZW-uitkering per 21 juli 2020 vanwege ongewijzigde medische beperkingen en geschiktheid voor geselecteerde functies.