ECLI:NL:CRVB:2023:348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen verlenging tijdelijke aanstelling ambtenaar op grond van vertrouwensbeginsel
Appellant was tijdelijk aangesteld bij Defensie met een aanstelling die liep tot 1 mei 2020. Hij verzocht om verlenging van zijn tijdelijke aanstelling, maar de staatssecretaris wees dit verzoek af. Appellant stelde dat hem op grond van het vertrouwensbeginsel was toegezegd dat zijn tijdelijke aanstelling telkens verlengd zou worden tot aan zijn pensioendatum.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat geen concrete toezegging was gedaan die een verlenging tot de pensioendatum rechtvaardigde. De e-mails en verklaringen van de brigadegeneraal bevestigden slechts een tijdelijke aanstelling voor twee jaar met wederzijds goedvinden, waarbij verlenging niet vanzelfsprekend was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een toezegging was gedaan die verlenging tot de pensioendatum garandeerde. Ook is het niet verlengen van de tijdelijke aanstelling niet in strijd met het geschreven of ongeschreven recht, mede gezien het dienstbelang van Defensie en het feit dat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen de einddatum.
De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellant krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: De tijdelijke aanstelling van appellant wordt niet verlengd; het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.