ECLI:NL:CRVB:2023:345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen compensatie voor vervroegde pensioenleeftijd na vaststellingsovereenkomst
Appellant was sinds 2004 in dienst bij de provincie Flevoland en sloot in 2017 een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken zijn gemaakt over de beëindiging van zijn dienstverband per 1 juli 2019. De overeenkomst bevatte bepalingen over doorbetaling van salaris tot de einddatum en over boven- en na-wettelijke uitkeringen na beëindiging van het dienstverband.
Na het pensioenakkoord en de publicatie van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd in 2019 werd de AOW-leeftijd van appellant vervroegd naar 66 jaar en 4 maanden, waardoor zijn pensioen acht maanden eerder inging dan voorzien. Appellant vorderde compensatie voor de inkomens- en pensioenschade die hij hierdoor leed.
De rechtbank wees het verzoek af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat artikel 5 van Pro de vaststellingsovereenkomst alleen betrekking heeft op de periode tot het ontslag en niet op de periode daarna. Voor de periode na het dienstverband is artikel 10 van Pro toepassing, waarin is geregeld dat uitkeringen worden toegekend conform de toen geldende regelgeving, zonder aanspraak op compensatie bij latere wetswijzigingen.
Ook de voorbeeldberekeningen die appellant aanvoerde konden hem niet baten, omdat deze voorzien waren van disclaimers dat wijzigingen in wetgeving niet waren uitgesloten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om compensatie wordt afgewezen.