Deze zaak betreft een Duitse werknemer die sinds 2017 in dienst was van een Duitse werkgever en aanvankelijk in Duitsland woonde en werkte. Vanaf mei 2019 verhuisde zij naar Nederland en werkte zij deels vanuit huis. De Sociale verzekeringsbank (Svb) gaf een A1-verklaring af die de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing verklaarde, maar deze werd later ingetrokken na bezwaar van de werkgever.
De rechtbank oordeelde dat de werknemer vanaf mei 2019 haar woonplaats in Nederland had en substantieel in Nederland werkte, waardoor de Nederlandse wetgeving van toepassing was. De werkgever ging in hoger beroep en stelde dat de A1-verklaringen onjuist waren.
De Raad stelde vast dat de woonplaats van de werknemer tot 1 januari 2020 in Duitsland was en vanaf die datum in Nederland. Echter, omdat de werkgever niet uitdrukkelijk of stilzwijgend had ingestemd met het werken vanuit Nederland, was er geen sprake van werkzaamheden in twee lidstaten. Daarom bleef de Duitse socialezekerheidswetgeving van toepassing, zowel voor als na de woonplaatswijziging.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de werkgever gegrond en het beroep van de werknemer ongegrond, en bepaalde dat de intrekking van de A1-verklaringen in stand blijft. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de werkgever.