ECLI:NL:CRVB:2023:242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WGA-vervolguitkering en toekenning schadevergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding
Appellant, laatstelijk werkzaam als senior consultant, meldde zich in 2012 ziek met psychische klachten en knieklachten. Het UWV kende hem vanaf 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, later omgezet in een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80%.
Na een herbeoordeling in 2018 bevestigde het UWV dit percentage, ondanks bezwaar van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige onderschreef.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische situatie, waaronder energietekort en medicijngebruik. De Raad volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de medische en arbeidskundige gronden voldoende waren onderbouwd en bevestigde het besluit.
Daarnaast werd schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, waarbij het UWV en de Staat elk voor een deel werden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten.
De uitspraak bevestigt het bestreden besluit en regelt de vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen, het besluit tot voortzetting van de WGA-vervolguitkering bevestigd, en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.