ECLI:NL:CRVB:2023:2406
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling WAO-uitkering
Appellant, die sinds 1992 een WAO-uitkering ontvangt, verzocht in november 2019 om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege nieuwe klachten na een levertransplantatie in 2017. Het UWV stelde op 26 mei 2020 vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef op 35 tot 45%, omdat de nieuwe klachten niet onder de verzekerde ziekteoorzaak vielen. Appellant maakte bezwaar, dat op 15 december 2020 ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en oordeelde dat appellant niet verzekerd was voor de nieuwe klachten, omdat hij niet had gewerkt of een Ziektewet- of Werkloosheidswet-uitkering ontving ten tijde van de toename. Ook concludeerde de rechtbank dat de toegenomen beperkingen voortkwamen uit een andere ziekteoorzaak dan de oorspronkelijke.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de psychische klachten voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak en dat hij in 1994 nog werkte, waardoor hij verzekerd zou zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant uitsluitend op grond van artikel 7b WAO verzekerd was en dat de nieuwe psychische klachten duidelijk een andere oorzaak hadden dan de oorspronkelijke klachten. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 december 2023.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering ongewijzigd blijft omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid een andere ziekteoorzaak heeft.