Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met psychische klachten en rechterarmklachten. Het UWV heeft haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 28,48% en de uitkering geweigerd omdat dit onder de 35% grens ligt. Zowel in bezwaar als beroep en hoger beroep is geoordeeld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en juist is uitgevoerd.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek, inclusief het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen zijn dat relevante medische informatie ontbrak. Het beroep op het arrest Korošec leidde niet tot een afwijking van het toetsingskader en er was geen sprake van schending van het equality of arms-beginsel.
De Raad ging ook in op de medische en arbeidskundige argumenten van appellante, waaronder de vraag naar een urenbeperking en meer beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd met medische stukken. De geselecteerde functies bleken passend en de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.