ECLI:NL:CRVB:2023:2352
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening en terugvordering bijstand wegens inkomen niet-rechthebbende partner
Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, terwijl haar echtgenoot (niet-rechthebbende partner) in Duitsland woonde en inkomsten had. Het dagelijks bestuur heeft de bijstand herzien en teruggevorderd omdat het inkomen van de partner boven de bijstandsnorm voor een alleenstaande lag, conform artikel 32, vierde lid, van de Participatiewet.
Appellante voerde aan dat het college de bijstand nader had moeten afstemmen omdat haar partner niet kon bijdragen aan het levensonderhoud en dat de terugvordering onevenredig was. De Raad oordeelde dat voor een individuele afstemming zeer bijzondere omstandigheden vereist zijn, die appellante niet aannemelijk heeft gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft het netto-inkomen van de partner inclusief een zorgverzekeringsbijdrage als uitgangspunt genomen en de bijstand daarop aangepast.
De Raad stelde vast dat appellante onvoldoende onderbouwde dat haar partner financieel niet kon bijdragen, waardoor de terugvordering niet als onevenredig kon worden beschouwd. Ook was appellante erop gewezen dat het inkomen van haar partner in mindering zou worden gebracht. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak, waardoor de herziening en terugvordering in stand blijven.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van de bijstand worden bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.