ECLI:NL:CRVB:2023:2344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige motivering
De appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV over zijn WIA-uitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in een tussenuitspraak dat de arbeidskundige motivering onvoldoende was, met name over het opleidingsniveau en de beheersing van de Nederlandse taal.
Het UWV diende een aanvullend rapport in, maar dit bleek onvoldoende onderbouwd. De Raad concludeerde dat appellant niet op MBO-3-niveau functioneert en onvoldoende Nederlands beheerst om bepaalde functies uit te oefenen. Hierdoor voldoen de geselecteerde functies niet aan de vereisten voor het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het eerdere besluit van 6 mei 2019. De arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 80-100% vanaf 1 maart 2017. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit wordt vernietigd en de arbeidsongeschiktheid van appellant wordt vastgesteld op 80-100% vanaf 1 maart 2017.