ECLI:NL:CRVB:2023:2337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek uitbreiding persoonsgebonden budget WMO 2015
Appellant, bekend met geestelijke gezondheidsproblemen, COPD en de ziekte van Crohn, vroeg verlenging en uitbreiding van zijn persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding en dagbesteding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college kende een pgb toe voor intensieve ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren, beperkte ondersteuning bij financiën en intensieve ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond en oordeelde dat het college niet verplicht was een uitgebreidere maatwerkvoorziening te verstrekken.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het pgb te laag was vastgesteld en dat hij vanwege zijn beperkingen meer individuele begeleiding en ondersteuning nodig had, onder meer omdat hij geen groepsactiviteiten kan bijwonen. Tevens stelde hij dat de wijze van toekenning in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad stelde vast dat appellant het bezwaar tegen de rechtszekerheid had ingetrokken en beoordeelde of de maatwerkvoorziening passend was.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat het toegekende pgb voldoende is en dat het college aan appellant toekende wat hem op grond van de beleidsregels toekomt. Het verzoek tot uitbreiding van individuele begeleiding slaagde niet, mede omdat appellant niet opnieuw begeleiding in groepsverband wenst. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; het toegekende persoonsgebonden budget blijft ongewijzigd.