Appellante woonde sinds 2009 met haar gezin bij haar vader in het ouderlijk huis. Na het vertrek en de echtscheiding van haar echtgenoot in 2019, werd de woonsituatie onhoudbaar door de verstoorde relatie en haar verslechterende gezondheid. Hierdoor moest zij onverwacht vertrekken en kreeg zij in januari 2020 een medische urgentieverklaring voor een zelfstandige woning, die zij in februari 2020 betrok.
Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van woninginrichting, maar het college wees dit af omdat de verhuizing voorzienbaar zou zijn geweest en zij had moeten reserveren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de verhuizing niet voorzienbaar was en zij daarom niet kon reserveren.
De Raad oordeelt dat de verhuizing door bijzondere omstandigheden niet voorzienbaar was, waardoor appellante niet uit haar bijstandsniveau de kosten kon betalen. Het college heeft dit onvoldoende gemotiveerd en de rechtbank heeft dit niet onderkend. Daarom wordt de aangevallen uitspraak vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht.