Appellante ontving bijstand sinds oktober 2017 en meldde niet dat zij eigenaar was van een appartement in Turkije, waarvan de waarde hoger was dan de vermogensgrens. Na een anonieme melding startte de gemeente een onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat zij sinds 2015 volledig eigenaar was van het appartement. De waarde van het appartement werd getaxeerd en bleek substantieel te zijn.
Het college trok de bijstand met ingang van oktober 2017 in en vorderde de kosten van bijstand terug. Appellante voerde aan dat zij niet over het appartement kon beschikken vanwege een voorlopig verkoopverbod in een lopende echtscheidingsprocedure en dat het appartement niet tot haar vermogen gerekend mocht worden.
De Raad oordeelde dat het appartement wel degelijk tot het vermogen behoort omdat het op naam van appellante stond en dat het beschikken over vermogen ook inhoudt dat men redelijkerwijs toegang tot dat vermogen kan krijgen. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij niet kon beschikken over het appartement. De intrekking en terugvordering bleven daarom terecht in stand.