Appellante, rolstoelgebonden en met diverse beperkingen, ontving op grond van de Wmo 2015 huishoudelijke hulp. Na een herzieningsbesluit van het college werd de hulp verminderd van zeven naar twee uur per week, mede vanwege het Wlz-pgb van haar broer die samenwoont en ook beperkingen heeft.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college onvoldoende concreet onderzoek heeft gedaan naar de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte van appellante, mede gelet op de situatie in de woning en de rolstoelgebondenheid van appellante.
Het college heeft niet voldaan aan de bewijslast om aannemelijk te maken dat de vermindering passend was. Hierdoor is het besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd, in strijd met de Awb. De Raad vernietigt het besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen, waarbij beroep tegen dat besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.