Uitspraak
21 3192 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
vernietigt de aangevallen uitspraak;
Centrale Raad van Beroep
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WIA-uitkering per 10 oktober 2019. De Raad stelde in een eerdere tussenuitspraak vast dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en gaf het UWV opdracht een aanvullend spreekuuronderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep uit te voeren.
Na dit onderzoek concludeerde de verzekeringsarts dat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 juni 2019 correct waren en dat er geen aanleiding was deze te wijzigen. Appellante voerde aan dat haar psychische beperkingen zwaarder waren dan aangenomen, onder meer vanwege medicatiewijzigingen en aanvullende medische gegevens, maar de Raad volgde dit niet omdat deze informatie betrekking had op een periode na de datum in geding.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% heeft vastgesteld en de WIA-uitkering heeft ingetrokken. Daarnaast vernietigde de Raad de aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten die appellante in verzet, beroep en hoger beroep heeft gemaakt, inclusief de griffierechten.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand, waardoor de intrekking van de uitkering gehandhaafd blijft. Hiermee komt de Raad tot een evenwichtige beslissing waarbij het belang van een zorgvuldig medisch onderzoek en correcte procesvoering centraal staan.
Uitkomst: De intrekking van de WIA-uitkering wordt bevestigd, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.