Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht over een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Na een langdurige procedure heeft het college op 20 september 2023 alsnog haar bezwaar gegrond verklaard en een vergoeding van € 8.701,- toegekend voor een uitgevoerde badkameraanpassing.
Hierdoor heeft appellante het hoger beroep ingetrokken. De Centrale Raad van Beroep heeft het college veroordeeld in de proceskosten van zowel het beroep als het hoger beroep, begroot op € 3.821,10. Daarnaast is de Staat der Nederlanden veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier jaar.
De Raad overwoog dat de totale procedure van ontvangst bezwaarschrift tot tegemoetkomend besluit vier jaar en vijf maanden duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt. Omdat de overschrijding zich voordeed in de rechterlijke fase, is de Staat aansprakelijk voor immateriële schadevergoeding en proceskosten van € 418,50.
De uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend en uitgesproken op 12 oktober 2023.