Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:1932

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
19 oktober 2023
Zaaknummer
22/993 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing Wmo-maatwerkvoorzieningen wegens gebrek aan belang

Het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem wees diverse aanvragen van appellant voor Wmo-maatwerkvoorzieningen af, omdat appellant geen ingezetene van Doetinchem was. Na bezwaar en wijziging van eerdere besluiten handhaafde het college het besluit, waarna appellant beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat appellant inmiddels in een andere gemeente woont en geen aanspraak meer kan maken op voorzieningen van het college.

Appellant stelde dat hij wel degelijk belang had, omdat hij nog steeds geen voorzieningen ontving en immateriële schade leed door de besluitvorming. De Raad overwoog dat procesbelang vereist dat het nastreven van het resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor de indiener. Een louter formeel belang is onvoldoende.

De Raad vond dat appellant zijn stellingen over schade onvoldoende had geconcretiseerd, waardoor het op voorhand onaannemelijk was dat hij schade had geleden. Daarom bevestigde de Raad de niet-ontvankelijkverklaring van de rechtbank. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen het Wmo-besluit is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

22/993 WMO15
Datum uitspraak: 17 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 februari 2022, 21/1113 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (college)
PROCESVERLOOP
Het college heeft met een besluit van 11 februari 2020, voor zover van belang, diverse aanvragen van appellant voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Het college heeft met een besluit van 19 maart 2020 het besluit van 11 februari 2020 gewijzigd en onder andere de besluiten van 3 april 2019, waarbij maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt voor onder meer een rolstoel, ingetrokken.
Het college heeft met een besluit van 14 januari 2021 (bestreden besluit) het besluit van 11 februari 2020, zoals gewijzigd met het besluit van 19 maart 2020, gehandhaafd. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. B.G. Smouter, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde voor appellant gesteld.
Het college heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak gevoegd behandeld met de zaak met nummer 22/992 PW op een zitting van 20 september 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Smouter. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Lemmers en R.P.J. Hengeveld.
Appellant heeft de zaak met nummer 22/992 PW ingetrokken.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Deze zaak gaat over de vraag of de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het college heeft aan de afwijzing van de aanvragen ten grondslag gelegd dat appellant geen ingezetene is van Doetinchem, zodat hij jegens het college geen aanspraak kan maken op maatwerkvoorzieningen. Aan de intrekking van de eerdere verstrekkingen heeft het college onder andere ten grondslag gelegd dat appellant onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt over zijn woonplaats. De verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing hebben geleid.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat appellant inmiddels in de gemeente Wijchen woont. Vaststaat dat appellant ten tijde van het beroep geen aanspraak meer heeft op Wmo-voorzieningen van het college, omdat hij geen ingezetene meer is van die gemeente. De rechtbank heeft verder overwogen dat op voorhand onaannemelijk is dat appellant schade heeft geleden door de besluitvorming. De enkele niet concreet gemaakte stelling dat hij schade heeft geleden, is hiervoor onvoldoende.
Het standpunt van appellant
3. Appellant voert aan dat hij wel degelijk een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Hij heeft de Wmo-voorzieningen nog steeds niet en hij heeft schade geleden als gevolg van de besluitvorming. Deze schade, die hij bij het college kan vorderen, bestaat uit immateriële schade: pijn en gederfde levensvreugde. Hij heeft er daarbij onder meer op gewezen dat hij langer in een niet passende rolstoel heeft moeten zitten en dus langer pijn heeft geleden.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden. [1]
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet aan het in 4.1 genoemde vereiste is voldaan. Appellant heeft namelijk de stelling dat (immateriële) schade is geleden niet onderbouwd of geconcretiseerd. Het is daarom op voorhand onaannemelijk dat schade is geleden.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en A.J. Schaap en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2023.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) I. van der Hout

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.