ECLI:NL:CRVB:2023:1910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en hennepdrogerij
Appellant en zijn partner Y ontvingen bijstand sinds 2003. In 2018 werd hun woning doorzocht wegens een vermoeden van hennephandel, waarbij een hennepdrogerij, verdovende middelen en €371.915,- aan contanten werden aangetroffen. Het college trok de bijstand met ingang van 1 oktober 2018 in en vorderde de bijstandskosten terug vanaf 19 januari 2010.
Appellant en Y hadden volgens het college de inlichtingenverplichting geschonden door het niet melden van de ontvangen geldbedragen en het bezit van contanten en hennepgerelateerde goederen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij de processen-verbaal van Y's verhoren aan het besluit ten grondslag mochten worden gelegd.
In hoger beroep stelt appellant dat de processen-verbaal onrechtmatig zijn verkregen en dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld. De Raad oordeelt dat de gegevensuitwisseling rechtmatig was binnen het convenant RIEC en dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De door appellant overgelegde stukken zijn onvoldoende om het recht op bijstand vast te stellen.
Het incidenteel hoger beroep van het college wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De intrekking en terugvordering van de bijstand blijven in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand blijven in stand; het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.