ECLI:NL:CRVB:2023:1886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag tegemoetkoming loonkosten NOW-4 wegens niet-representatieve referentiemaand
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-4 regeling voor juli tot en met september 2021, met een verwacht omzetverlies van 48%. De minister wees de aanvraag af omdat in de referentiemaand februari 2021 geen loonkosten waren geregistreerd, aangezien appellante haar personeel eerder had ontslagen.
Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, stellende dat de referentiemaand niet representatief is voor haar horecaonderneming en dat de strikte toepassing van de regeling onevenredig is. De minister handhaafde het besluit, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat de keuze voor februari 2021 als referentiemaand bewust en noodzakelijk is voor een eenvoudige en snelle uitvoering van de regeling, ondanks mogelijke nadelige gevolgen voor sommige werkgevers.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren zonder nieuwe argumenten. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de regeling strikt moet worden toegepast zonder afwijkingen of hardheidsclausule. De afwijzing blijft daarmee in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De aanvraag voor tegemoetkoming in de loonkosten op grond van NOW-4 wordt afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.