ECLI:NL:CRVB:2023:170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met vriend
Appellante vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college wees dit af omdat zij volgens hen een gezamenlijke huishouding voert met A. Appellante verbleef vanaf 10 februari 2021 in een woning op adres X, waar ook A stond ingeschreven. Hoewel zij stelde dat haar verblijf tijdelijk was, oordeelde de Raad dat zij haar hoofdverblijf had op dat adres, mede vanwege haar persoonlijke bezittingen en postontvangst.
Daarnaast is vastgesteld dat er sprake was van wederzijdse zorg. Appellante deed boodschappen, ruimde op en deed de was van A, terwijl A haar financieel ondersteunde. De Raad verwierp het argument dat de huishoudelijke bijdrage onontkoombaar was door de kleine woning en concludeerde dat de zorg meer dan incidenteel was.
Hierdoor werd vastgesteld dat appellante geen zelfstandig recht op bijstand als alleenstaande had. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert en geen recht heeft op bijstand als alleenstaande.