ECLI:NL:CRVB:2023:1628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellante had een WAO-uitkering die in 2006 werd ingetrokken vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. In 2011 verzocht zij opnieuw om een WAO-uitkering, maar dit verzoek werd geweigerd omdat geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak. Na een verzoek in 2021 om terug te komen op het besluit van 2011, ondersteund met medische stukken, heeft het UWV dit geweigerd wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de WAO-beoordeling onzorgvuldig was en dat haar klachten waren toegenomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het eerdere besluit rechtvaardigen om te herzien.
De Raad benadrukt dat onder nieuwe feiten en omstandigheden alleen feiten worden verstaan die na het eerdere besluit zijn ontstaan of die toen niet konden worden aangevoerd. De medische informatie over kaakklachten en andere aandoeningen was reeds bekend en meegenomen in de eerdere beoordeling. De Raad concludeert dat het bestreden besluit zorgvuldig en deugdelijk is gemotiveerd en niet evident onredelijk is. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering blijft in stand.