ECLI:NL:CRVB:2023:1601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering terecht ondanks medische bezwaren appellant
Appellante ontving een WIA-uitkering en werkte vanaf april 2016 als medewerkster paarden. Na ziekmelding met lichamelijke en psychische klachten kende het UWV haar een Ziektewetuitkering toe, die per 4 september 2017 werd beëindigd wegens vermeende verdiencapaciteit boven 65% van het maatmaninkomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de Functionele Mogelijkhedenlijst onvoldoende rekening hield met haar klachten en dat een urenbeperking had moeten gelden. De Raad liet een onafhankelijke deskundige rapporteren, die aanvullende beperkingen vaststelde maar de urenbeperking matigde. De Raad volgde het deskundigenrapport en het standpunt van het UWV dat de functies geschikt waren.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit gebrek gepasseerd omdat het hoger beroep een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing gaf en het besluit niet anders zou zijn geweest. De Raad kende appellante een schadevergoeding van €2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde het UWV en de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de Ziektewetuitkering per 4 september 2017 wordt bevestigd en appellante ontvangt een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.