ECLI:NL:CRVB:2023:1596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks Kopenhagen-syndroom
Appellant, geboren in 1999, vroeg een Wajong-uitkering aan wegens lichamelijke klachten door het Kopenhagen-syndroom. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant arbeidsvermogen heeft, wat door de rechtbank werd bevestigd. Appellant stelde dat het besluit onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen.
De Raad benoemde een onafhankelijke anesthesioloog-pijnspecialist die appellant onderzocht en concludeerde dat appellant wel degelijk vier uur per dag belastbaar is en een uur aaneengesloten kan werken. Het rapport was zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. Het oordeel van de deskundige werd gevolgd omdat er geen bijzondere omstandigheden waren om daarvan af te wijken.
Appellants bezwaren, waaronder het ontbreken van recente MRI-onderzoeken en het niet meenemen van hoofdpijn in de beoordeling, werden niet gevolgd. De Raad oordeelde dat de pijnklachten en beperkingen voldoende waren meegewogen en dat appellant basale werknemersvaardigheden bezit.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van het UWV en de rechtbank dat appellant niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en dat de weigering van de Wajong-uitkering terecht is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant arbeidsvermogen heeft en de Wajong-uitkering terecht is geweigerd.