ECLI:NL:CRVB:2023:1480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand vreemdeling op grond van koppelingsbeginsel bevestigd
Appellante diende op 28 februari 2020 een aanvraag om bijstand in, welke door het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen werd afgewezen omdat zij geen woonplaats had in Vlaardingen en niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander op grond van artikel 11, tweede en derde lid, van de Participatiewet (PW).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stond vast dat appellante in de periode van 28 februari tot en met 13 mei 2020 niet als Nederlander kon worden beschouwd, waardoor artikel 16, tweede lid, van de PW op haar van toepassing was. Dit artikel sluit het recht op bijstand uit, ook niet op grond van zeer dringende redenen zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 16.
Appellante voerde aan dat het niet verstrekken van bijstand een schending van artikel 8 EVRM Pro oplevert, maar de Raad oordeelde dat het college niet verplicht is buiten het wettelijk kader van de PW bijstand te verlenen. De vaste rechtspraak stelt dat voor vreemdelingen die onder het koppelingsbeginsel vallen, positieve verplichtingen uit het EVRM niet via de PW kunnen worden ingevuld.
De Raad bevestigde dat het college terecht geen bijstand heeft toegekend en verwierp de overige beroepsgronden. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand aan appellante wordt bevestigd vanwege toepassing van het koppelingsbeginsel en het ontbreken van recht op bijstand.