ECLI:NL:CRVB:2023:1396

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juli 2023
Publicatiedatum
20 juli 2023
Zaaknummer
21/4176 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing maatschappelijke ondersteuning voor boodschappen op grond van Wmo 2015

Appellante, bekend met psychische en lichamelijke klachten, vroeg maatschappelijke ondersteuning aan op grond van de Wmo 2015, waaronder ondersteuning voor het doen van boodschappen. Het college verleende huishoudelijke ondersteuning, maar weigerde aanvullende ondersteuning voor boodschappen omdat een algemeen gebruikelijke boodschappendienst beschikbaar is.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij niet heeft aangetoond dat zij hulp nodig heeft bij het bestellen van boodschappen of dat zij geen hulp kan inschakelen van bekenden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de boodschappendienst voor haar geen optie is omdat zij niet mee kan en vaste personen nodig heeft.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De Raad stelt vast dat appellante haar stellingen niet heeft onderbouwd en dat het procesdossier geen aanwijzingen bevat die haar situatie rechtvaardigen voor extra ondersteuning. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het college terecht geen maatschappelijke ondersteuning voor boodschappen verstrekte.

Uitspraak

20 4176 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 november 2020, 19/6627 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 20 juli 2023

PROCESVERLOOP

Met een besluit van 17 mei 2019 heeft het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan appellante voor de periode van 19 mei 2019 tot en met 23 mei 2021 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college is met een besluit van 10 oktober 2019 (bestreden besluit) bij de verstrekte maatwerkvoorziening gebleven.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2023. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de vraag of het college, naast de verleende ondersteuning, ook maatschappelijke ondersteuning had moeten verstrekken voor het doen van de boodschappen. De Raad oordeelt dat het college hiervoor terecht geen ondersteuning heeft verstrekt. Appellante kan namelijk gebruik maken van een boodschappendienst.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1969, is bekend met psychische en lichamelijke klachten. Zij heeft in verband hiermee een aanvraag ingediend voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015.
1.2.
Deze aanvraag heeft geleid tot de in het procesverloop weergegeven besluitvorming. Het college heeft in het bestreden besluit vermeld dat geen aanleiding bestaat om aan appellante maatschappelijke ondersteuning voor het doen van boodschappen te verstrekken. De algemeen gebruikelijke boodschappendienst levert een passende bijdrage.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, overwogen dat de boodschappendienst een passende bijdrage levert. Niet is gebleken dat appellante hulp nodig heeft bij het opstellen van de boodschappen. Dit is ook niet onderbouwd met medische stukken. Verder is niet gebleken dat appellante niet in staat is om hulp van iemand die zij kent in te schakelen bij het bestellen van boodschappen. Uit het gespreksverslag komt naar voren dat appellante in staat is haar buurman in te schakelen om boodschappen voor haar te doen. Daarnaast blijkt daaruit dat appellante veel familie heeft en dat zij haar proberen te helpen waar zij kunnen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante heeft betoogd dat de boodschappendienst voor haar geen optie is. Zij kan niet mee om boodschappen te doen en is ook niet in staat om onbekende personen voor haar boodschappen te laten doen. Zij moet een vaste persoon hebben die zij de boodschappen kan laten doen.
Het oordeel van de Raad
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep herhaald wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Daaraan heeft zij toegevoegd dat zij niet mee kan om boodschappen te doen en geen onbekende personen voor haar boodschappen kan laten doen. Zij heeft deze stelling niet onderbouwd en het procesdossier biedt hiervoor geen enkel aanknopingspunt. De Raad volgt deze stelling daarom niet.
Conclusie en gevolgen
4.3.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en A. van Gijzen en J.C. Boeree als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M. Dafir