ECLI:NL:CRVB:2023:1328
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterechte weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing duurzaamheid arbeidsvermogen
Appellante, geboren in 1998, vroeg op 24 april 2018 een Wajong-uitkering aan vanwege een cerebrale visuele stoornis en epilepsie als gevolg van een aangeboren hersenafwijking. Het UWV weigerde de uitkering met het argument dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen duurzaam zijn, mede door een diagnose autismespectrumstoornis, en dat verbetering van haar stemmingsproblematiek niet zal leiden tot substantiële vermindering van haar intensieve begeleidingsbehoefte. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was. De intensieve begeleidingsbehoefte hangt vooral samen met verstandelijke en visuele beperkingen die niet verbeteren. De Raad achtte de verwachting dat stemmingsverbetering tot vermindering van begeleiding leidt onvoldoende toegesneden op de problematiek, mede gezien de diagnose autisme.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het besluit van 30 juli 2018 en bepaalt dat appellante met ingang van 24 april 2018 recht heeft op een Wajong-uitkering. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Appellante heeft recht op een Wajong-uitkering vanaf 24 april 2018 vanwege duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.