Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:132

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
23 januari 2023
Zaaknummer
19 / 3579 PW-S
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure. Verzoeker had op 17 augustus 2017 een bezwaarschrift ingediend tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis. De procedure heeft uiteindelijk ruim vijf jaar geduurd tot de intrekking van het hoger beroep op 29 november 2022.

De Centrale Raad van Beroep beoordeelde dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, met ruim een jaar was overschreden. De overschrijding vond plaats in de rechterlijke fase van de procedure. Er waren geen omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigden.

De Raad kende daarom een schadevergoeding van €1.500 toe aan verzoeker, te betalen door de Staat der Nederlanden. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, begroot op €418,50. De zaak werd inhoudelijk geschikt en het hoger beroep ingetrokken met behoud van het verzoek om schadevergoeding.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.500 schadevergoeding en €418,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

19.3579 PW-S

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 17 januari 2023
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. D. Schaap, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2019, 18/671 over het besluit op bezwaar van het college van 20 december 2017.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en op 5 december 2019 een gewijzigd besluit op bezwaar genomen.
Bij brief van 14 november 2022 heeft verzoeker verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Schaap. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. de Groot, advocaat.
Ter zitting van de Raad hebben verzoeker en het college overeenstemming bereikt over de zaak die hen inhoudelijk verdeeld hield en een schikking getroffen. Daarbij heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken met handhaving van het ingediende verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

OVERWEGINGEN

1. Het geschil betreft alleen nog het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Verzoeker heeft aangevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, omdat meer dan vier jaar zijn verstreken, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 17 augustus 2017.
2. De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
3. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4. In het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 17 augustus 2017 tot aan de intrekking van het hoger beroep ter zitting, vijf jaar en ruim drie maanden zijn verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van verzoeker zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met één jaar en ruim drie maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan verzoeker zal daarom een schadevergoeding van € 1.500,- worden toegekend, te betalen door de Staat.
5. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten worden begroot op € 418,50 voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met wegingsfactor 0,5) in deze verzoekschriftprocedure. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en C.E.M. Marsé en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2023.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) N. van der Horn