Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:1048

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juni 2023
Publicatiedatum
6 juni 2023
Zaaknummer
22/2794 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep bestuursrechtelijke dwangsom

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam besloot op 1 april 2021 geen dwangsom aan betrokkene te betalen en handhaafde dit besluit na bezwaar op 11 augustus 2021. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat het college een dwangsom van € 1.442,- moest betalen, evenals het door betrokkene betaalde griffierecht.

Het college stelde hoger beroep in tegen dit oordeel, maar trok dit hoger beroep tijdens de zitting op 21 maart 2023 in. Betrokkene verzocht daarop om vergoeding van zijn proceskosten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college op grond van artikel 8:118 Awb Pro in combinatie met artikel 8:75 Awb Pro veroordeeld kan worden tot vergoeding van proceskosten bij intrekking van het hoger beroep.

De Raad veroordeelde het college tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten, begroot volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De uitspraak werd gedaan op 6 juni 2023 door voorzitter F. Hoogendijk en leden C.E.M. Marsé en J.E. Jansen, in aanwezigheid van griffier C.G. van Straalen.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan betrokkene na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

22.2794 PW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2022, 21/5002 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 6 juni 2023
PROCESVERLOOP
Het college heeft met een besluit van 1 april 2021 beslist dat hij geen dwangsom aan betrokkene hoeft te betalen en dit besluit na bezwaar van betrokkene gehandhaafd met een besluit van 11 augustus 2021. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep daartegen gegrond verklaard en bepaald dat het college een dwangsom van € 1.442,- moet betalen en aan betrokkene het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.
Het college heeft hoger beroep ingesteld voor zover de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard.
Betrokkene heeft een zienswijze ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2023. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Breure. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat.

OVERWEGINGEN

Tijdens de behandeling van het hoger beroep ter zitting heeft het college het hoger beroep ingetrokken.
Artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Betrokkene heeft een verzoek gedaan om veroordeling van het college tot vergoeding van zijn proceskosten.
Wat hiervoor is overwogen is aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- (2 punten) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en C.E.M. Marsé en J.E. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2023.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) C.G. van Straalen