Uitspraak
21.3826 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2006 werkzaam bij de werkgever en werkte vanaf 2015 onder een directeur met wie de arbeidsrelatie in mei 2016 verstoord raakte. Na detacheringen binnen de organisatie en pogingen tot herplaatsing, die niet tot resultaat leidden, werd appellant per 1 december 2019 ontslagen op andere gronden wegens een verstoorde arbeidsverhouding en impasse.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat er geen sprake was van een impasse en dat de werkgever onvoldoende had gedaan om hem te herplaatsen, en dat hij onterecht geen ontslagvergoeding had ontvangen.
De Raad oordeelde dat de verstoorde relatie en impasse duidelijk waren, dat herplaatsing binnen de organisatie niet mogelijk was en dat de werkgever voldoende inspanningen had verricht. Ook werd geoordeeld dat de werkgever geen overwegend verwijt treft voor de impasse, waardoor een ontslagvergoeding niet verplicht was.
Het hoger beroep werd verworpen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De Raad vond geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding wordt bevestigd zonder toekenning van ontslagvergoeding.