ECLI:NL:CRVB:2014:2587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.J.M. Heijs
- B.J. van de Griend
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens verstoorde arbeidsverhoudingen zonder overwegend aandeel bestuur
Appellant was sinds 2006 werkzaam als [functienaam] bij het [bedrijf] Heffing en Waardebepaling. Vanaf 2010 verslechterden de verhoudingen tussen appellant en de directeur, waarna in 2011 mediation werd gestart. Na een incident waarbij appellant de pers te woord stond, ontstonden verdere spanningen. In mei 2011 werd in goed overleg besloten dat appellant niet zou terugkeren in zijn functie en werd hem buitengewoon verlof verleend.
Vervolgens werden diverse beheersmaatregelen getroffen, waaronder het stopzetten van vergoedingen en schorsingen. Uiteindelijk verleende het dagelijks bestuur op 20 april 2012 ontslag wegens een onomkeerbare vertrouwensbreuk. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard. Zowel de rechtbank Dordrecht als Rotterdam wezen de beroepen af.
In hoger beroep stelde appellant dat het dagelijks bestuur een overwegend aandeel had in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen en dat de toegekende bovenwettelijke uitkering onvoldoende was. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur niet overwegend verantwoordelijk was, mede gelet op het niet melden door appellant van een intern rapport en het verstrekken van een adressenlijst aan derden. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en het ontslagbesluit.
De Raad concludeerde tevens dat het dagelijks bestuur bevoegd was tot het nemen van het ontslagbesluit en dat de schorsingen rechtmatig waren. Er werd geen aanleiding gezien voor toekenning van een hogere uitkering dan de minimumgarantie of voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wordt bevestigd omdat het dagelijks bestuur geen overwegend aandeel had in de verstoorde arbeidsverhoudingen.