ECLI:NL:CRVB:2022:887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vervoersvoorziening voor jonggehandicapte zonder medische noodzaak
Appellant, een jonggehandicapte met een visuele beperking, werkt sinds april 2019 als begeleider en vroeg om een vervoersvoorziening voor woon-werkverkeer. Het UWV wees dit af wegens het ontbreken van een medische noodzaak, omdat appellant in staat is het openbaar vervoer te gebruiken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de vervoersvoorziening alleen wordt toegekend bij structurele functionele beperkingen die aangepast vervoer noodzakelijk maken. Het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat vergelijkbare gevallen niet op alle relevante punten overeenkomen.
In hoger beroep herhaalde appellant grotendeels zijn eerdere gronden en voerde aan dat hij gelijk behandeld moest worden als een andere jonggehandicapte die wel een vervoersvoorziening kreeg. De Raad volgde de rechtbank en bevestigde dat het ontbreken van medische noodzaak en het feit dat appellant ervaring heeft met openbaar vervoer het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de eerdere uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de vervoersvoorziening bevestigd.