Uitspraak
20.3166 PW
3 september 2020, 19/1705 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van bewindvoering, maar het college wees dit af op grond van voldoende draagkracht. Het college rekende het inkomen uit studiefinanciering, inclusief een aanvullende lening, mee bij de draagkrachtbepaling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overwoog dat het college terecht het normbedrag van de studiefinanciering als draagkracht heeft meegewogen, ook al ontving appellante dit bedrag niet daadwerkelijk.
Appellante stelde dat zij geen passende voorliggende voorziening had en dat haar draagkracht te hoog was vastgesteld, mede vanwege haar ADHD en vermeend gebrek aan arbeidsvermogen. Deze argumenten werden verworpen omdat het college niet op grond van een passende voorziening afwees, maar vanwege voldoende draagkracht, en omdat onvoldoende is aangetoond dat zij geen arbeidsvermogen heeft.
Ook het beroep op artikel 16 van Pro de Participatiewet faalde, omdat appellante niet is uitgesloten van bijstand, maar haar aanvraag werd afgewezen vanwege draagkracht. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand wordt afgewezen omdat appellante voldoende draagkracht heeft op basis van haar studiefinanciering inclusief lening.