ECLI:NL:CRVB:2022:853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens niet-gemelde werkzaamheden
Appellant was sinds januari 2016 werkzaam als salesmanager en beëindigde zijn arbeidsovereenkomst in juni 2017. Vanaf juli 2017 ontving hij een WW-uitkering. Het UWV verleende toestemming voor een oriëntatie- en startperiode als zelfstandige in 2018. Na een fraudemelding van de ex-werkgever startte het UWV een onderzoek, waaruit bleek dat appellant vanaf oktober 2017 werkzaamheden verrichtte voor een bedrijf zonder dit te melden.
Het UWV trok de WW-uitkering per 1 oktober 2017 in en vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug, tezamen met een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat de werkzaamheden als arbeid in het economisch verkeer gelden en dat appellant zijn meldingsplicht heeft geschonden.
In hoger beroep betoogde appellant dat het ging om sporadische, onbetaalde vriendendiensten en een snuffelstage, en dat hij niet wist dat dit gemeld moest worden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant arbeid verrichtte met het oog op geldelijk voordeel en dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad bevestigde de intrekking van de WW-uitkering, de terugvordering en de boete, en verwierp het hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en de oplegging van een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.