ECLI:NL:CRVB:2022:808

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
12 april 2022
Zaaknummer
20/2048 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 PWArt. 44 PWArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstand met terugwerkende kracht zonder bijzondere omstandigheden

Appellant heeft meerdere aanvragen om bijstand ingediend, waarvan de eerste twee aanvragen buiten behandeling zijn gesteld wegens het niet aanleveren van gevraagde stukken. De derde aanvraag is afgewezen, maar het bezwaar daartegen is gegrond verklaard met toekenning van bijstand vanaf de datum van die derde aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep tegen deze toekenning ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogt appellant dat de bijstand met ingang van de eerste aanvraagdatum had moeten worden toegekend, omdat de eerdere aanvragen niet inhoudelijk zijn beoordeeld maar buiten behandeling zijn gesteld.

De Raad oordeelt dat vaste rechtspraak bepaalt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Het enkel indienen van eerdere buiten behandeling gestelde aanvragen vormt geen bijzondere omstandigheid. Daarom wordt het hoger beroep verworpen en blijft de ingangsdatum van de bijstand de datum van de derde aanvraag.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de bijstand wordt toegekend met ingang van 12 mei 2019, niet met terugwerkende kracht.

Uitspraak

20.2048 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 mei 2020, 19/7303 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (college)
Datum uitspraak: 5 april 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 20 februari 2019 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 19 maart 2019 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat appellant niet de gevraagde stukken heeft gestuurd naar het college. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor dit besluit in rechte is komen vast te staan.
1.2.
Op 11 april 2019 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om bijstand. Bij besluit van 1 mei 2019 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat appellant niet de gevraagde stukken heeft gestuurd naar het college. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor ook dit besluit in rechte is komen vast te staan.
1.3.
Op 12 mei 2019 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend.
1.4.
Bij besluit van 5 augustus 2019 heeft het college de aanvraag van 12 mei 2019 afgewezen.
1.5.
Bij besluit van 29 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 augustus 2019 gegrond verklaard en hem bijstand toegekend met ingang van 12 mei 2019.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil de ingangsdatum van de toegekende bijstand.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat het college met ingang van 20 februari 2019 bijstand had moeten toekennen. Appellant heeft op 20 februari 2019 bijstand aangevraagd. De aanvraag was buitenbehandeling gesteld. De buitenbehandelingstelling is geen inhoudelijke afwijzing, zodat de aanvraag van 12 mei 2019 geen herhaalde aanvraag is maar een hernieuwde poging om over de eerdere periode bijstand te verkrijgen. Die eerste aanvraag heeft dan ook te gelden als ingangsdatum.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt om de volgende redenen niet.
4.3.1.
Vaststaat dat op de aanvragen van 20 februari 2019 en 11 april 2019 al is beslist. De hier voorliggende aanvraag betreft de aanvraag van 12 mei 2019. Appellant heeft met die aanvraag beoogd om bijstand aan te vragen met ingang van een eerdere datum dan de aanvraagdatum en met terugwerkende kracht over een periode waarover weliswaar besluitvorming, maar geen – eerdere – beoordeling van het recht op bijstand heeft plaatsgevonden.
4.3.2.
In een dergelijke situatie geldt onverkort de vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 43 en Pro 44 van de PW dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen (zie onder meer de uitspraak van 7 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9646).
4.3.3.
Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld. Het eerder indienen van aanvragen die buiten behandeling zijn gesteld, kan ook niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt (zie onder meer de uitspraak van 25 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2855). Er bestaat dan ook geen grond om met ingang van een eerdere datum dan de aanvraagdatum bijstand te verlenen.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2022.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) B. Beerens