Appellant ontving bijstand van 1 juli 2016 tot 1 februari 2018. Het college stelde op basis van een onderzoek dat appellant werkzaamheden verrichtte voor schoonmaakbedrijf X en deel uitmaakte van een spaarsysteem, zonder dit te melden, waarna bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd. Appellant betwistte de werkzaamheden en stelde identiteitsfraude te zijn slachtoffer.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde delen van de besluiten. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant werkzaamheden verrichtte en deel uitmaakte van het spaarsysteem, maar dat het college ten onrechte het recht op bijstand niet schattenderwijs heeft vastgesteld op basis van de werklijsten en het minimumloon. De communicatie via tolk was voldoende betrouwbaar en de stelling van identiteitsfraude onvoldoende onderbouwd.
De Raad vernietigt de intrekking en terugvordering over de maanden juli en augustus 2016 en januari en februari 2017 wegens strijd met de Awb en draagt het college op een nieuw besluit te nemen waarbij het recht op bijstand wordt vastgesteld op basis van de gewerkte uren tegen het minimumloon. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens onzekerheid over geleden schade. Het college wordt veroordeeld in de kosten van appellant.