Appellante, voormalig beherend apotheker, is sinds 2008 ziekgemeld met psychische en fysieke klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid in 2016 werd vastgesteld op 75,96%. Appellante betwistte deze vaststelling en stelde dat het onderzoek niet zorgvuldig was, mede omdat zij niet door een geregistreerd verzekeringsarts was gezien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de functionele mogelijkheden correct had vastgesteld. In hoger beroep werd een onafhankelijke verzekeringsarts benoemd, die concludeerde dat appellante beperkingen had, maar niet volledig arbeidsongeschikt was. De Raad volgde deze conclusie en verwierp de stellingen van appellante over onzorgvuldig onderzoek en onvoldoende rekening houden met haar psychische klachten.
Daarnaast stelde appellante een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure vast. De Raad constateerde dat de rechterlijke fase met ruim 16 maanden was overschreden en veroordeelde de Staat tot een schadevergoeding van €1.500,- en betaling van proceskosten van €379,50. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.