Uitspraak
20.2206 ANW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.707,75;
Centrale Raad van Beroep
Appellante voerde beroep aan tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin zij werd geweigerd compensatie voor verlaging van haar nabestaandenuitkering vanwege het aanwijzen van een toeslagpartner. Ter zitting bleek dat niet de genoemde zoon, maar een andere zoon als toeslagpartner moest worden aangemerkt. Dit maakte het besluit onvoldoende gemotiveerd, maar dit gebrek werd gepasseerd omdat appellante hierdoor niet benadeeld was.
Appellante verzocht tevens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bestuursrechtelijke procedure. De Raad oordeelde dat de totale procedure ruim zeven jaar duurde, waarbij een deel van de overschrijding voor rekening van de Svb komt en een deel voor de Staat. De vergoeding werd verdeeld op basis van het aandeel in de overschrijding.
De Raad veroordeelde de Svb tot betaling van €2.230,- en de Staat tot €770,- aan immateriële schadevergoeding. Daarnaast werden proceskosten toegekend aan appellante, waarbij de Svb en de Staat elk voor een deel werden veroordeeld. Het beroep werd uiteindelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de Sociale Verzekeringsbank en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van schade en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.