De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) over de compensatie voor de verlaging van een nabestaandenuitkering. Partijen kwamen overeen dat de compensatie moet eindigen op 31 december 2020, waarna de Raad het bestreden besluit op dit punt vernietigde en de einddatum vaststelde.
Appellante had tevens een schadevergoedingsverzoek ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad beoordeelde dat de totale procedure ruim zeven jaar en drie maanden duurde, waarbij een deel van de overschrijding niet aan de Svb kon worden toegerekend maar aan de Staat. De immateriële schadevergoeding werd daarom verdeeld: € 2.230,- ten laste van de Svb en € 770,- ten laste van de Staat.
Daarnaast werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante voor de verleende rechtsbijstand in beroep, evenals in het griffierecht. De Staat werd eveneens veroordeeld in een deel van de proceskosten. De uitspraak bouwt voort op eerdere uitspraken in deze zaak en bevestigt het belang van een tijdige en correcte afhandeling van compensatiebesluiten binnen het sociale zekerheidsrecht.