ECLI:NL:CRVB:2022:563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eerder geduide functies bevestigd
Appellante, werkzaam als customer service medewerkster, meldde zich ziek in juni 2016. Na een WIA-beoordeling in 2018 werd haar een WIA-uitkering geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, met de indicatie dat zij geschikt was voor drie functies: productiemedewerker industrie, medewerker postverzorging en wikkelaar. Na een nieuwe ziekmelding in januari 2019 ontving zij een Ziektewetuitkering die het UWV in juni 2019 beëindigde op basis van een medisch oordeel dat zij geschikt was voor de eerder geduide functies.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte de beoordeling van de passendheid van de functies had achterwege gelaten en dat haar beperkingen, met name ten aanzien van stressfactoren, niet voldoende waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beoordeling van de passendheid van functies al bij de WIA-beoordeling had plaatsgevonden en dat in de Ziektewetprocedure alleen de medische geschiktheid voor deze functies aan de orde is. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante niet in die mate aanwezig zijn dat zij ongeschikt is voor de functies productiemedewerker industrie en wikkelaar. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij medisch geschikt is voor eerder geduide functies.