ECLI:NL:CRVB:2022:506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken ingezetenschap op 18e verjaardag
Appellant, geboren in 1987, vroeg meerdere malen een Wajong-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvragen af omdat appellant op zijn zeventiende en achttiende verjaardag niet in Nederland woonde en dus geen ingezetene was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij al voor zijn achttiende verjaardag een duurzame persoonlijke band met Nederland had, onder meer omdat zijn moeder en zussen in Nederland woonden en hij financieel en geestelijk door zijn moeder werd ondersteund.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het criterium van ingezetenschap inhoudt dat iemand op de dag van zijn achttiende verjaardag in Nederland moet wonen en een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland moet hebben. De omstandigheden van appellant, waaronder het feit dat hij in Brazilië woonde en door zijn vader werd tegengehouden om naar Nederland te verhuizen, rechtvaardigen dit niet. Ook het beroep op de hardheidsclausule in artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong faalde omdat deze clausule niet afwijkt van de dwingendrechtelijke voorwaarde van ingezetenschap.
De Raad concludeerde dat appellant op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene van Nederland was en daarom terecht niet als jonggehandicapte is aangemerkt. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant was op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene van Nederland en kreeg daarom geen Wajong-uitkering toegekend.