ECLI:NL:CRVB:2022:375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens passende arbeid medewerker montage en verpakken
Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker schoonmaak en meldde zich ziek in augustus 2015. Vanaf januari 2017 verrichtte zij werkzaamheden als medewerker montage en verpakken voor 20 uur per week. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, ondanks enkele procedurele tekortkomingen, en stelde dat het werk passend was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de functie niet passend was vanwege fysieke beperkingen, waaronder incontinentie en het tillen van zwaardere dozen. Zij betwistte ook de zorgvuldigheid van het werkplekonderzoek. De Raad oordeelde dat het werk licht en zittend was, met voldoende pauzes en een toilet dichtbij, en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) dit konden dragen.
De Raad concludeerde dat de praktische schatting van het UWV terecht was en dat de inkomsten uit het werk representatief zijn voor de resterende verdiencapaciteit. Daarom was de weigering van de WIA-uitkering terecht. Wel werd een vergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, die ruim vier jaar duurde. De Staat werd daarnaast veroordeeld tot betaling van proceskosten van €379,50.
Uitkomst: De weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.