ECLI:NL:CRVB:2022:345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsende werking hoger beroep bij terugvordering Wajong-uitkering
Appellant ontving een Wajong-uitkering die het UWV later als ten onrechte toegekend bestempelde en probeerde terug te vorderen. De rechtbank vernietigde eerder een besluit van het UWV dat de uitkering herzag over een bepaalde periode en bepaalde dat de uitkering per 1 juli 2017 moest worden herzien. Het UWV stelde vervolgens vast dat appellant onvoldoende middelen had om een vordering van € 8.522,91 te voldoen, maar bleef inkomens- en vermogensonderzoek doen.
De rechtbank oordeelde dat artikel 9 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak geen onderscheid maakt voor besluiten op grond van de Wajong en dat het ingestelde hoger beroep schorsende werking heeft. Dit betekent dat het UWV het inkomens- en vermogensonderzoek mag voortzetten ondanks het hoger beroep. Appellant voerde aan dat de grondslag voor terugvordering was vervallen en dat het UWV geen onderzoek mocht doen, maar dit werd door de rechtbank en later door de Raad verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de uitleg van artikel 8:106 Awb Pro in verbinding met artikel 9 Bevoegdheidsregeling Pro bestuursrechtspraak correct is. De Raad stelde vast dat het hoger beroep niet slaagt en dat het UWV terecht het onderzoek voortzet. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.