ECLI:NL:CRVB:2022:313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Erkenning PTSS als beroepsziekte voor politieambtenaar ondanks ontbreken formeel dienstverband
Betrokkene, werkzaam bij de politie van september 1978 tot augustus 2018, leed aan PTSS veroorzaakt door vier incidenten, waarvan drie tijdens een periode zonder formeel dienstverband in semi-permanente bijstand. De korpschef wees erkenning voor deze drie incidenten af vanwege het ontbreken van een formeel dienstverband.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene feitelijk politiediensten verrichtte onder gezag van de politie en dat de PTSS erkend moest worden als beroepsziekte. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde dat de werkzaamheden tijdens de semi-permanente bijstand als aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden moeten worden beschouwd.
De Raad verwierp het beroep van de korpschef en bevestigde de erkenning van PTSS als beroepsziekte voor alle incidenten, waarbij ook proceskosten werden toegewezen aan betrokkene. De kwestie over het eerste incident bleef buiten beschouwing omdat het resultaat voor betrokkene niet gunstiger kon worden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de erkenning van PTSS als beroepsziekte voor betrokkene en wijst het hoger beroep van de korpschef af.